Spelling oefenen groep 6

In groep 6 komen de lastigere klanken (-ng, -nk, -cht) en begint de werkwoordspelling: hij loopt, met stam + t. De regels die je kind nu leert, gebruikt het nog jaren.

Illustratie: letters en woorden spellen

Wat oefent je kind in groep 6

  • Woorden met -ng en -nk
  • Woorden met -cht en -gt
  • Meervoud op -en en -s
  • Start werkwoordspelling: stam + t
  • Woorden met be-, ge- en ver-
  • Leestekens: komma en vraagteken

Zo zien de opgaven eruit

Drie voorbeelden op het niveau van groep 6. In BrainBite krijgt je kind bij elke opgave meteen uitleg.

Hij loop of hij loopt?

Hij loopt. Tegenwoordige tijd bij hij/zij: stam + t. Ik loop, hij loopt.

Zocht of zogt?

Zocht. Korte klank + cht schrijf je bijna altijd met ch. Uitzonderingen: ligt, legt, zegt.

Bureaus of bureau's?

Bureaus. Alleen een apostrof na een lange klinker aan het eind, zoals bij foto's.

Spelling oefenen in een andere groep

Of terug naar spelling oefenen

Klaar om te happen?

Begin vandaag met spelling oefenen voor groep 6. Tien minuten per dag, op het niveau van jouw kind.

Probeer 7 dagen gratis

Stoppen kan altijd, binnen 7 dagen betaal je niets.

7 dagen gratis proberen · 14 dagen geld-terug-garantie